R e g i o

Turijn

Op Porta Nuova, het prachtige centraal station van Turijn, stappen we in tramlijn 15 voor een pelgrimstocht langs heilige en vermaledijde voetbalplekken in de hoofdstad van de regio Piemonte.

De barokke dame had zich op deze zonnige herfstdag loom neergevlijd aan de boorden van de rivier de Po. In de verte lonkten de besneeuwde bergtoppen van de Franse Alpen. Ach en wee Turijn. Stad van Fiat en calcio. De tranvia slingerde zich een weg door nauwe straten, langs elegante boulevards en over barokke pleinen, met namen als Piazza San Carlo, Corso Re Umberto en Corso Vittorio Emanuele II. Namen van prinsen en koningen van Casa Savoia, dat na de eenwording in 1861 aan het hoofd van Italië stond en zetelde in de vele palazzi van Turijn. Hoewel de heerschappij van de Savoia's an korte duur was - de monarchie werd na de Tweede Wereldoorlog afgeschaft en koning Umberto II werd in ballingschap naar Portugal gestuurd - heeft Turijn nog altijd adellijk bloed door de aderen stromen en wordt het door de eigen inwoners gezien als de enige echte hoofdstad van Italië. En als voetbalhoofdstad van Italië, natuurlijk. Omdat in Turijn, nog voor de geboorte van Genoa FC in 1893, Internazionale Torino (1891) werd opgericht. Een club die rond de eeuwwisseling zou samengaan met FC Torinese (1894), om het huidige Torino FC te vormen. In de tussentijd had ook Juventus het levenslicht gezien.

Turijn

Italië

Vliegveld: Aeroporto di Torino
Plaats: Torino
IATA code: TRN
www.aeroportoditorino.it

Timezone
De timezone van Torino is Europe/Rome.

Betaalmiddel
In Italië is de officiële munteenheid de Euro. Valutacode EUR.

Landnummer
Het landnummer is het nummer dat je gebruikt voor internationale telefoongesprekken. Om vanuit Nederland een telefoonnummer in Italië te bellen of sms’en toets je voor het telefoonnummer +39 of 0039.

Liefdesbaby

Dat is een mooi verhaal trouwens en zeker een stop waard langs de route, voor een Aperol soda of een glas Negroni bij Caffè Platti aan de toog. Het is of de tijd er heeft stilgestaan. Zo smaakt het verleden dus. Met spiegels met craquelé aan de wand en kroonluchters van Venetiaans glas. Je proeft er de grandeur van het Italiaanse novecento, tussen mannen in pak en vrouwen met opgeföhnd haar. Wie zijn gat er tegen het rode pluche duwt en ondertussen wat aperitiefjes naar binnen werkt, hoeft de ogen maar even te sluiten om terug te worden gekatapulteerd naar 1 november 1897, de dag dat vier jonge studenten op een bankje bij Platti buiten op de stoep proostten op de geboorte van hun liefdesbaby: Juventus (van het Latijnse gioventú, wat jeugdigheid betekent).
Wie had toen kunnen bevroeden dat 'La Vecchia Signora' ('De Oude Dame') bijna 130 jaar later de rijkste, de machtigste, meest geliefde en meest gehate club van Italië zou zijn en anno 2019 recordkampioen met 35 scudetti?
Het bankje, dat tegenwoordig word gekoesterd in het Juventus Museum, is een reliek van bijna heilige proporties (net zoals de lijkwade van Turijn). Maar over het corruptieschandaal in 2006, toen bleek dat Juves technisch directeur Luciano Moggi jarenlang op grote schaal scheidsrechters had omgekocht om zijn club te bevoordelen, hebben ze het bij Platti liever niet. Allemaal fake news natuurlijk. Politiek spel van de tegenstanders. In het belang van de concurrenten in Rome en Milaan, tégen de heersende macht. En dus worden de twee titels die de club in verband met Calciopoli in 2006 officieel werden afgenomen (Juve werd voor straf ook teruggezet naar de Serie B) in Turijn gewoon meegeteld. Niet alleen in Caffè Platti. Ook op Juventus' officiële website staan gewoon 37 scudetti vermeld op het palmares. En daarmee basta.
In Florence kunnen ze het zwart-witte bloed van de Juventini daarom wel drinken. Dat heeft ook met een paar andere schandalen en scheidsrechterlijke dwalingen te maken trouwens. Uiteraard in het voordeel van Juve, vaffanculo!
Spelers en fans van 'I Bianconeri' worden in de rest van de laars 'gobbi' genoemd, de gebochelden. Of simpelweg 'ladri' (dieven). In Florence vind je in volkswijken zoals San Frediano stickers op ramen en deuren met als opdruk 'Verboden voor gobbi''. Als Juventus spelers wegkaapt, leidt dat soms tot een waar volksgericht, zoals in het geval van de verkoop van Roberto Baggio. En als een speler van Juventus andersom de overstap naar Fiorentina maakt, moet de nieuwe aankoop tijdens een speciaal ritueel eerst 'ontbocheld' worden. Daar zou je om kunnen lachen, maar feitelijk is het een bloedserieuze zaak. Zoals calcio sowieso een zaak is van leven op dood en niet zomaar een spelletje.

Immorele Lucianone

Het is waarom de Serie A de echte liefhebbers minstens zo fascineert as het voetbal zelf; de soms inktzwarte geschiedenis, de intriges en de schandalen. Het besef dat voetbal een mooie én een lelijke kant heeft, net als het leven zelf. En hét immorele gezicht van 'la malavita' in het Italiaanse calcio is natuurlijk Luciano Moggi; de peetvader. 'Lucianone', een voormalig spoorwegbeambte uit Toscane die zich tijdens de jaren zeventig en tachtig een weg omhoog zou werken binnen het Italiaanse voetbal. Corrado Ferlaino, de voormalig eigenaar van Napoli, noemde Moggi ooit een man zonder scrupules, die eind jaren tachtig op het lumineuze idee kwam om Maradona van zogenaamde penisprotheses te voorzien om zo dopingtesten te kunnen omzeilen.
In zijn tijd als algemeen directeur van AC Torino liet 'Lucky Luciano' scheidsrechters winkelen in de designershops van de peperdure Via Roma, zeg maar de PC Hooft van Turijn. Pakken van Dolce & Gabbana, horloges of de duurste Barolo's. Kosten noch moeite werden gespaard. Als Torino in het seizoen 1991-1992 de UEFA Cup maar zou winnen. En dus werden dat jaar door Moggi regelmatig zogenaamde 'hostessen' (lees: prostituees) besteld op de hotelkamers van internationale scheidsrechters in Hotel Palace, zoals de Britse scheidsrechter Keith Hackett en de Belg Guy Goethals (zoon van oud-bondscoach Raymond Goethals), om zo Europese thuiswedstrijden van de 'club granata' te kunnen beïnvloeden. Gelukkig is niet alles te koop. Want Ajax zou dat jaar de finale winnen, ondanks drie ballen van Torino op de lat.
Buffo zijn is een eigenschap die in Italië vaak hoog wordt gewaardeerd. Zoek de mazen van de wet op, til de belastingdienst en er wordt gewoonlijk voor je geapplaudisseerd. Maar er is een verschil tussen ondeugend zijn en kwaadaardig en maffioos, zoals Moggi. Vinden de meeste Italianen gelukkig ook. Wie in Turijn evenwel in de geest van 'Godfather Moggi' wil pranzare (lunchen), moet voor de aardigheid restaurant Urbani eens binnenstappen, aan Via Saluzzo, in de boezem van de stad. Het is de plek waar Moggi in zijn jaren bij Juventus feitelijk kantoor hield aan een van de witte tafeltjes en waar hij zich achter een bordje pasta of antipasto Toscano tegelijkertijd veilig en onaantastbaar waande.
In de huiskamersfeer van Urbani, met overal televisieschermen aan de wand en een tafelvoetbalspel voor de kindjes, voerde hij contractbesprekingen met een stuk buffermozzarella in zijn mond, fêteerde scheidsrechters en stookte ze tijdens copieuze maaltijden op tegen andere clubs. Vanuit Urbani belde hij (steeds met een andere Zwitsere simkaart in de telefoon om niet afgeluisterd te kunnen worden) met bondsbestuurders om zijn favoriete arbiters te bestellen en met sportjournalisten die het zowaar in hun hoofd - cazzo! - hadden gehaald om diezelfde dubieuze scheidsrechters te bekritiseren. Als er ooit sprake was van een "Sistema Moggi", zoals de openbaar aanklager in het proces Calciopoli wel heeft beweerd, dan was restaurant Urbani het decor. Maar ondertussen kun je er wel gruwelijk lekker eten natuurlijk. Want Moggi was niet gek.

31 kisten

Terug in tramlijn 15 leidt het spoor over de Corso Re Umberto, die, voor Torino-fans althans, vermaledijde boulevard. Op deze wat mistroostige verkeersader stonden in mei 1949 duizenden Torinesi in tranen langs de kant van de weg, fans van Torino én Juventus, vanwege een tragedie die de rivaliteit tussen de twee clubs oversteeg en de stad in diepe rouw had ondergedompeld. Een paar dagen daarvoor was een vliegtuigje met aan boord het kampioenselftal van Torino Calcio in dichte mist tegen de achterkant van de Basilica di Superga gestort, op een heuvel net buiten Turijn. Alle 31 inzittenden kwamen om. Spelers, staf en meegereisde journalisten. Wie in het Museo del Grande Torino (e della Leggenda Granata) de wrakstukken bekijkt, realiseert zich wat een enorme klap het moet zijn geweest. Een apocalyps. Het einde van de wereld. Vittorio Pozzo, voormalig bondscoach en later journalist van La Stampa, was als een van de eersten op de rampplek aanwezig. Aan hem de ondankbare taak om de verbrande en verminkte lichamen van de voetballers te identificeren. Schreef Pozzo een dag later in zijn verslag vol retoriek: "Het team van Torino is niet meer. Het is verdwenen, opgegaan. Het team is in het harnas gestorven, als stoottroepen tijdens de oorlog die uit hun loopgraven kwamen en nooit meer terugkeerden."
Italianen zijn meesters in het conserveren van het verleden en dus worden de spelers in krantenkiosken op bijna iedere hoek van de straat nog herdacht. Zoals op de Piazza San Carlo. Wie maart bij Caffè Torino aan het einde van de middag een Martini bestelt, maakt goede kans de 86-jarige Franco Belsignore te treffen op het terras, die het tragische nieuws ooit via de radio vernam en er bij was toen hier de 31 kisten werden opgesteld voor een rouwdienst in de openlucht. En dan lepelt Franco na zijn tweede Martini alle namen van de spelers maar weer eens op en vertelt na zijn derde glas met een snik in zijn stem dat onheil nu eenmaal het wrede lot is voor die niet te benijden tifosi van Toro. En hoe wrang het allemaal is dat uitgerekend op dit plein al jaren op rij de kampioenschappen van stadsrivaal Juventus worden gevierd. 

Bohémien op voetbalsloffen

Hoe dan ook, in 1964 lijkt het tij voor Torino dan eindelijk te keren, met de komst van de flegmatieke dribbelaar Luigi 'Gigi' Meroni, ook wel 'La farfalla granata' genoemd; de granaatrode vlinder. Meroni was meer dan zomaar een voetballer. Hij was een bohémien op voetbalsloffen. Een kunstenaar die vaak briljante goals maakte, maar zich verder geen bal aantrok van tactische keurslijven en korsetten. Buiten de lijnen evenmin. Regelmatig werd door de clubleiding een envelopje met wat lires bij Meroni thuisbezorgd, met het verzoek eens naar de kapper te gaan. En zelfs de eigen aanhang zong: "Gigi, ga je haar eens wassen." Ze konden de boom in met z'n allen. De Italiaanse voetbalbond, die dreigde hem niet langer te zullen selecteren voor 'La Squadra Azzurra', trouwens ook. Dan maar niet, dacht Gigi. Vai a cagare. Rot maar op.
In plaats van een dure villa in een chique buitenwijk huurde Meroni een zolderkamertje aan de Corso Re Umberto; een piepklein appartementje zónder verwarming. 'De kleine Garincha' schilderde er zelfportretten en stikte er op een Singer zijn eigen fluwelen pakken in elkaar. Legendarisch zijn de verhalen over Meroni die geregeld paradeerde in de Via Po, met een kip aan een hondenriempje. Van zijn relatie met de getrouwde Poolse blondine Cristiana Uderstadt werd door het conservatieve deel van de natie uiteraard schande gesproken. Maar voor jongeren was hij een (cult)held. Toen en nu. Een eeuwig symbool van rebellie.
Tot het op een avond goed misging. Torino had op die oktoberavond in 1967 amper van Sampdoria gewonnen of de ster van het elftal, de pas 24-jarige Meroni, scheurde na de wedstrijd vanuit Stadio Filadelfia naar huis. Holde bij thuiskomst de Corso Re Umberto over en werd frontaal aangereden voor de deur van Bar Zambon (tegenwoordig bar Il Foro). Precies op die plek, ter hoogte van nummer 46 bis, hangt aan een lantaarnpaal een foto van 'La farfalla granata' en staat zijn naam in een marmeren monument gebeiteld. Nog ieder jaar komen fans en clubbestuurders van Torino hier bijeen op 15 oktober. Leggen verse bloemen en vervloeken nog altijd de bestuurder van de Fiat 124 coupé; Attilio Romero, zelf groot fan van Torino én van Meroni, die later nog voorzitter van de 'club granata' zou worden (wie verzint zoiets?). Zelf is hij de klap trouwens nooit te boven gekomen. "De angstdromen, der nachtmerries, ze blijven. En dan zie ik Gigi weer sterven. Dat is mijn noodlot. Het kruis dat ik met me meedraag tot aan mijn dood", schreef Romero in 2017 in een open brief in Tuttosport.

Stadio Filadelfia

Wie in tramlijn 15 blijft zitten, komt vanzelf aan op de Piazza Gustavo Modena in Sassi, waar je aan de overkant van de straat in een antiek treintje kunt stappen naar de top van Superga. Het is een soort pelgrimstocht die voetbalfans en toeristen nog dagelijks ondernemen, dwars door bossen en drie donkere tunnels. Hoe dichter bij de top, des te hemelser het uitzicht over de stad, met de 167 meter hoge Mole Antonelliana-toren als ijkpunt. Wie zijn best doet, kan op een heldere dag in de verte het inmiddels gerenoveerde Stadion Filadelfia zien liggen, ooit thuishaven van 'Il Grande Torino' en tegenwoordig trainingscentrum van de club. Niet ver van Lingotto, het hoofdkwartier van Fiat met de beroemde testbaan boven op het dak. Herinnering: de laatste keer in Stadio Filadelfia was, in 1998, op de plek waar ooit de middenstip moet zijn geweest. Met het gras drie kontjes hoog. Dit was 'Il Fila', een stadion waar ooit mirakels plaatsvonden. Maar van de mythe was weinig over. Slechts drie overwoekerende tribunes stonden nog overeind. Stille getuigen van een sprookje dat ooit was. Een espresso in het supporterscafé in Via Filadelfia, tussen de tifosi die het aangezicht van het vervallen stadion nauwelijks konden verdragen. Even later door een gat in het verwrongen hek van het stadion, waarvan de hoofdingang in art-nouveaustijl gelukkig nog overeind stond. Oud-voetballer Sauro Tomà ging voorop. Hij kende de weg. Met de cameraploeg van VPRO's Sportpaleis de Jong in zijn spoor, daalde Tomà af naar de catacomben waar hij in 1949 naast aanvoerder Valentino Mazzola en keeper Valerio Bacigalupo in de kleedkamer zat. Nu was het het terrein van zwervers en junks. Tomà was in mei 1949 vanwege een knieblessure niet meegereisd naar Lissabon. Hij overleefde, als enige. En had daar een leven lang schuldgevoelens aan overgehouden. Tomà mompelde wat over ontheiligde voetbalgrond. "Want dit is geen voetbalstadion. Dit is een droom die ooit werkelijkheid werd. Het is poëzie. Magie. Het is onze tempel. Dit is Fila."

Processie

Er verscheen licht aan het einde van de laatste tunnel. Eindbestemming Superga. Terwijl een enkeling de kerk instapte voor een bezoek aan het marmeren mausoleum van de Savoia's, liep het overgrote deel in processie naar de achterkant van de basiliek. Jong en oud. "Alleen het noodlot kon van ze winnen" is te lezen op de plaquette en dacht aan wat Tomà had gezegd over het elftal dat na de Tweede Wereldoorlog vijfmaal op rij kampioen van Italië werd en als beste ploeg van Europa werd beschouwd. Dat aanvoerder Valentino Mazzola, vader van Sandro Mazzola (de latere ster van Inter) weergaloos was. Dat Torino zó goed was, dat het maar even hoefde aan te zetten om de tegenstander in vijftien minuten, 'Il quarto d'ora granata', van de mat te spelen. Weg te vagen. Totdat de ploeg dus zelf werd weggevaagd. Naast het prieeltje met de elftalfoto hingen supportersshawls van zo'n beetje alle voetbalclubs van Italië. Behalve die van Juventus uiteraard. Solidariteit bestaat niet tot in de eeuwigheid. Er wapperde een spandoek in de wind: "Meglio morire da granata, che vivere da Juventino", ofwel "Beter sterven als fan van Torino dan leven als Juventino". Het is het sentiment dat in Turijn altijd zal blijven bestaan tussen de twee aartsrivalen. Het is het eeuwige duel tussen het grootkapitaal van de Agnelli's, eigenaren van Fiat en Juventus, versus de romantiek van het verleden.

Stadio Grande Torino

Als het aan de Torino fans had gelegen, waren ze nooit uit Stadio Filadelfia vertrokken. In 1963 verhuisde 'Il Toro' echter naar het Stadio Olimpico Grande Torino, een eindje verderop, dat in 1933 ten doop werd gehouden en vernoemd is naar Benito Mussolini. 

Na het WK van 1990 deelde Torino Stadio Delle Alpi met de gehate zwart-witte buurvrouw. Thans is Torino terug op het oude nest, aan de Via Filadelfia in het stadion dat speciaal voor de Winterspelen van 2006 geheel werd gerenoveerd.

Niet per se in de buurt, maar het Museo del Grande Torino is zeker een bezoekje waard. In een oud herenhuis gevestigd en gerund door vrijwilligers.

Kampioensstadion

Het Allianz Stadium, in de volksmond 'Il Stadium' of 'J Stadium', is compact. modern, biedt plaats aan ruim 41.000 toeschouwers en is gebouwd op de fundamenten van het oude Stadio Delle Alpi, dat sinds het WK van 1990 thuishaven van zowel Juventus als Torino was. Naar Delle Alpi is geen heimwee vanwege de sfeerloosheid en de sintelbaan. Sinds de opening van 'Il Stadium', ingeklemd tussen de wijken Vallette en Lucento, in 2011 is 'Juve' bovendien telkens kampioen geworden. In het J-Museum, in de boezem van het stadion, staat onder meer het bankje waarop vier studenten ooit tot de oprichting van 'De Oude Dame' besloten.

Local legend

In de geschiedenis van 'I Bianconeri' waren hoofdrollen weggelegd voor grote spitsen en spelmakers zoals Boniperti, Bettega, Platini, Baggio, Del Piero en Zidane. En toc is er maar één speler die als 'Mister Juventus' wordt beschouwd. De uomo simbolo (de voorbeeldfiguur) naar wie de Curva Sud in het huidige Allianz Stadium is vernoemd: Gaetano Scirea. Legendarische libero en captain van het elftal dat in de jaren zeventig en tachtig het ene na het andere scudetto won en álle Europe voetbalprijzen beschikbaar.
Scirea was een heer, binnen en buiten de lijnen, kreeg nooit rood, trok graag ten aanval en vormde een legendarische verdedigingslinie met doelman Zoff, stopper Gentile en back Cabrini. Ook in de nationale ploeg trouwens, waarmee hij in 1982 wereldkampioen werd. Hij stierf op 36-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk in Polen waar hij voor de club aan het scouten was.

Local legend

Met helden van Torino loopt het meestal niet goed af. Giorgio Ferrini speelde tussen 1959 en 1975 566 duels voor de club. Bij ieder thuisduel wappert er een spandoek met zijn afbeelding. Blonde kop, boeventronie.
Met 'La Diga' ('De Dijk') kon je de oorlog winnen. Ter illustratie: bij Chili-Italië op het WK '62 moest Ferrini na een rode kaart door politieagenten van het veld worden gesleurd.
Slechts een jaar na zijn afscheid werd Ferrini getroffen door twee hersenbloedingen, de laatste werd hem fataal. 'De Dijk' ligt op het kerkhofje van Pino Torinese, hemelsbreed op een paar kilometer afstand van Superga.

GOUDEN TIP

Floor Wesseling

"In de studio waar ik voetbalshirts ontwerp, heb ik er vaak een van Juventus in mijn handen. Dan ben ik aan het appen met Edgar Davids. Edgar speelde eens met 'New Holland' op z'n borst, vond-ie gaaf. Ikzelf vind dat uit 1995-1996 (sorry, Ajax-fans) met Sony erop mooi. Kraagje, strepen, logo - alles loopt. Lekker gek: het derde shirt uit het seizoen 2016-2017: wit met zebrastrepen op de schouders. Bestelbaar op Classicfootballshirts.co.uk." 

Vrienden van VanBastisch